Abstracte kunst1925
Geel-Rood-Blauw
Wassily Kandinsky
Het oog van de conservator
"Het schilderij is verdeeld in twee energiepolen: links een lichte, geometrische zone gedomineerd door geel; rechts een donkere, organische entiteit gedomineerd door blauw, verbonden door een bemiddelend rood centrum."
Dit monumentale werk uit 1925, een ware visuele symfonie, markeert het hoogtepunt van Kandinsky’s Bauhaus-periode en orkestreert een fascinerende strijd tussen de solaire helderheid van geel en de mystieke diepte van blauw.
Analyse
Het werk Geel-Rood-Blauw is veel meer dan een eenvoudige verkenning van kleuren; het is de praktische toepassing van Kandinsky’s theorie over de "innerlijke noodzaak". Geschilderd tijdens zijn jaren aan het Bauhaus, weerspiegelt het een zoektocht naar synthese tussen geometrische strengheid en lyrische emotie. Geel, geassocieerd met de aarde en een centrifugale energie, staat hier tegenover blauw, een hemelse en concentrische kleur die lijkt terug te wijken voor het oog van de toeschouwer. Rood fungeert als een stabiliserende brug, een kracht van evenwicht tussen deze twee uitersten.
De expertanalyse onthult dat Kandinsky vormen hier behandelt als levende entiteiten met hun eigen klankkleur. Voor hem is de driehoek onlosmakelijk verbonden met geel (scherpe energie), het vierkant met rood (stabiele materie) en de cirkel met blauw (spirituele vrede). In dit doek breekt hij echter zijn eigen regels om complexere nuances te verkennen: kronkelige zwarte lijnen doorkruisen de kleurzones en creëren een muzikaal ritme dat doet denken aan een abstracte partituur. Het is een poging om een "wereldbeeld" te creëren waarin elk element zijn eigen autonomie bezit en tegelijkertijd bijdraagt aan de globale harmonie.
Hoewel er geen religieuze mythe is in de klassieke zin, belichaamt het schilderij de mythe van de Schepping door abstractie. Kandinsky beschouwde de kunstenaar als een profeet die in staat is om verder te kijken dan de materie. De strijd tussen het lichte links en het donkere rechts kan gelezen worden als een allegorie van het gevecht tussen dag en nacht, of tussen de lucide rede en het scheppende onbewuste. Het is een moderne kosmogonie waarin kleuren de godheden zijn van een universum dat gezuiverd is van figuratie.
Het werk getuigt ook van Kandinsky’s overgang van een impulsieve, lyrische abstractie naar een meer berekende en theoretische abstractie. Elk kleurverloop is minutieus uitgewerkt om een specifieke spirituele vibratie op te wekken. De aanwezigheid van hybride vormen, noch volledig geometrisch noch volledig organisch, toont aan dat de kunstenaar weigerde zich op te sluiten in een rigide systeem en liever ruimte liet voor poëtische intuïtie binnen de structuur.
Ten slotte is dit schilderij een manifest over synesthesie. Kandinsky was ervan overtuigd dat men kleuren kon "horen" en geluiden kon "zien". Geel-Rood-Blauw moet gelezen worden als een grootse orchestratie, waarbij de fijne lijnen violen zijn en de grote blauwe massa’s diepe cello’s. Het is een totale zintuiglijke ervaring die tot doel heeft de ziel van de toeschouwer te verheffen naar een metafysische contemplatie van de verborgen orde van het universum.
Een van de grootste geheimen van dit schilderij ligt in de verborgen structuur die de ontwikkeling van een menselijk leven of een biologische cyclus nabootst. Röntgenstudies hebben aangetoond dat Kandinsky niet te werk ging door totale improvisatie, maar door opeenvolgende lagen van transparantie. Hij zocht naar een diepte die niet die van de traditionele perspectief was, maar een "vibrerende" diepte. Het geheim van de schittering ligt in het gebruik van specifieke bindmiddelen zodat de kleuren ondanks hun overlapping niet in grijsheid vermengen.
Een ander geheim betreft de invloed van de theosofie op dit werk. Kandinsky was diep getekend door de geschriften van Madame Blavatsky over de spiritualiteit van kleuren. De blauwe zone rechts, met zijn grote zwarte cirkel, zou het "Derde Oog" kunnen vertegenwoordigen of een poort naar een andere dimensie. Deze occulte dimensie werd door de kunstenaar vaak verborgen achter een technisch Bauhaus-discours om niet te mystiek over te komen bij zijn rationele collega’s.
Het schilderij verbergt ook een subtiele verwijzing naar de muziek van Arnold Schönberg, de goede vriend van de schilder. Men kan er een toepassing in zien van muzikale "chromaturgie", waarbij grafische dissonanten (zoals de gebroken zwarte lijnen) dienen om de eenheid van het geheel te versterken, net als dissonanten in de twaalftoonsmuziek. Het is een werk waar men naar kijkt zoals men naar een symfonie luistert, met thema’s, variaties en terugkerende motieven.
De titel zelf is onderwerp van debat geweest. Aanvankelijk wilde Kandinsky geen beschrijvende namen aan zijn werken geven en gaf hij de voorkeur aan cijfers. Door te kiezen voor "Geel-Rood-Blauw" stuurde hij de perceptie bewust naar de primaire kleuren om de narratieve complexiteit van het schilderij te maskeren. Het is een vorm van bescherming tegen een letterlijke interpretatie: hij wilde dat de toeschouwer verdwaalde in de kleursensatie voordat hij de vorm probeerde te begrijpen.
Ten slotte ligt het geheim van de duurzaamheid van het werk in de uitzonderlijke conservering. In tegenstelling tot veel schilderijen uit die tijd die zijn gaan barsten, gebruikte Kandinsky een techniek die dicht bij fresco op doek ligt. Hierdoor behoudt het werk vandaag de dag nog steeds een lichtkracht die bijna identiek is aan die van 1925. De kracht van de pigmenten, die zuiver zijn gebleven, blijft die retinale schok veroorzaken die de kunstenaar zocht om het spirituele bewustzijn te wekken.
Word Premium.
OntgrendelenQuiz
Met welke kunststroming wordt dit meesterwerk van Kandinsky geassocieerd?
Ontdekken

